De HalsbandParkiet

Men onderscheidt vier ondersoorten:

- Psittacula k. krameri - Afrikaanse halsbandparkiet

- Psittacula k. parvirostris - Abessijnse halsbandparkiet

- Psittacula k. borealis - Assam halsbandparkiet

- Psittacula k. manillensis - Indische halsbandparkiet

Het is vooral de Indische halsbandparkiet die door de liefhebber wordt gehouden. Ik zal mij in dit artikel dan ook hoofdzakelijk tot deze ondersoort beperken.

 

Herkomst

Het zuiden van India, Sri Lanka en het eiland Rameswaran.

Beschrijving

Lengte ongeveer 42 cm.

Man: Algemene lichaamskleur lichtgrasgroen, enigszins variërend in tint; het meest helder van kleur op de wangen, wat geliger op het lagere onderlichaam. Vanaf de neusdop loopt een smalle zwarte teugelstreep naar het oog. De kin is diepzwart, van daaruit loopt aan weerszijden onderlangs de wangen een zwarte band die als maar smaller wordt in een boog omhoog naar de halszijden. Vervolgens is er een dieproze halsband in de nek die de zwarte band aan weerszijden van de hals als het ware met elkaar verbindt; achterkop en nek zijn verder enigszins blauw bewaasd. Middelste verlengde staartpennen blauwgroen, aan de uiteinden geelgroen, overige staartpennen grasgroen; onderstaart grauwgeel. Bovensnavel rood met zwarte snavelpunt; ondersnavel zwart. Het oog is donker met geelwitte iris. Poten groenachtig grijs; nagels donkergrijs.

POP: Bij de pop ontbreekt de zwarte kinvlek en wangband, ook de roze halsband ontbreekt en achterkop en nek zijn effen grasgroen. Het smalle, zwarte teugelstreepje is wel aanwezig maar beduidend minder sprekend dan bij de man. De middelste verlengde staartveren zijn korter dan die van de man, hetgeen de pop ook iets kleiner maakt.

Biotoop

De Indische halsband is een algemeen voorkomende vogel in licht beboste landschappen en ontgonnen landbouwgebieden. Ze worden echter ook veelvuldig gezien in de nabijheid van steden en zelfs in de steden in de parken en tuinen. Gewoonlijk ziet men ze in kleine groepen, maar als er voldoende voedselaanbod is verenigen ze zich tot immense vluchten va honderden vogels. Vaak roesten ze in grote getale in een bomengroep net als bij ons de spreeuwen.

Het voedsel in de vrije natuur bestaat uit zaden, bessen, vruchten, bloesems en nectar. In de oogstijd brengen ze graag een bezoek aan graan- en zonnebloemvelden, waarbij het voorkomt dat 20% van de oogst wordt vernield. Doch ook op koffieplantages en in boomgaarden kunnen ze grote schade aanrichten.

Het nest is in een holte van een tak of boom. Met hun snavel knagen ze de nestholte zonodig tot de gewenste grootte. Van de nesten die in de vrije natuur gevonden zijn, was de diameter van het invlieggat gemiddeld 11 cm groot; de diepte van de nestholte gemiddeld 75 cm. De nesten bevonden zich ongeveer 3,5 m boven de grond. Niet zelden wordt gebruik gemaakt van oude nesten van baardvogels en spechten. Ook zijn er nesten gevonden in een holte onder het dak van een huis en in een muurholtes.

Het broedseizoen in de vrije natuur is van december tot juni, mogelijk zelfs tot juli. De legsels variëren van 3 tot 5 eieren.

Avicultuur

Het houden van halsbandparkieten dateert van ver voor onze jaartelling. Het verhaal gaat dat de Romeinse veldheer Alexander de Grote de vogels op zijn veldtochten vanuit India meebracht naar onze streken. In hoeverre dit klopt, laat ik in het midden. Vast staat echter dat de halsbandparkiet in het oude Rome al erg populair was. Martial, geschiedschrijver en een tijdgenoot van Caesar en Augustus, schrijft dat de vogels in ebbenhouten, zilveren en van schildpaddenpantser gemaakte kooien werden gehouden omdat ze zo goed de menselijke stem konden nabootsen. Er werden in die tijd zelfs speciale leraren benoemd om deze vogels het napraten aan te leren. Het schijnt zo te zijn geweest dat een goed sprekende halsbandparkiet duurder was dan de beste slaaf.

Onder de vroegste broedresultaten, die bekend zijn, noem ik die van Otto Wigand in Duitsland in 1872 en Dr. W.T. Greene in Engeland in 1874. Sinds het begin van deze eeuw wordt in heel Europa regelmatig met deze vogels gekweekt. Vooral de komst van enkele kleurmutaties heeft enorm bijgedragen aan de populariteit van deze vogels.

Huisvesting

Halsbandparkieten vragen een behoorlijke vliegruimte. Een vlucht van 2 á 3 m lang, 1 m breed en 2 m hoog, nachthok niet inbegrepen, is wel ongeveer het minimum voor deze vogels. Twee zitstokken, elk aan een uiteinde van het verblijf dragen bij aan een zo lang mogelijke vliegruimte. Omdat deze vogels erg gevoelig zijn voor bevroren tenen, is het raadzaam het gaas boven de buitenzitstok af te dekken met een glasplaat of lichtdoorlatende golfplaat: op die manier blijft de zitstok droog en kan dus in de winter niet bevriezen. Gebruik verder dikke zitstokken. Tijdens het slapen worden de poten en tenen dan geheel bedekt door de buikveren en dus optimaal tegen bevriezing beschermd.

Hoewel deze vogels niet als echte knagers te boek staan, is het als men een houten volièreconstructie kiest verstandig het gaas aan de binnenzijde van het houtwerk te bevestigen; een metalen volière heeft echter de voorkeur. Tussen de volières dubbel gaas aanbrengen met een tussenruimte van 4 á 5 cm; dit om teenbeschadigingen te voorkomen.

Halsbandparkieten nemen bijna elk broedblok voor lief, maar hebben een duidelijke voorkeur voor natuurstammen. Geschikte maten zijn ca 75 cm diep, diameter 25 á 30 cm, invlieggat 10 cm. Op de bodem een laag vermolmd hout aanbrengen en vast aanstampen. Het is verdient aanbeveling de broedblokken 's winters te laten hangen. Bij zeer strenge koude zullen de vogels zich daarin terugtrekken.

Voeding

Halsbandparkieten zijn gemakkelijke kostgangers. Naast een goed zaadmengsel voor grote parkieten eten ze graag wat fruit. Favoriet zijn appel, peer en sinaasappel. Ook lijsterbessen worden graag genomen. Een weinig fruit, in welke vorm dan ook, mag derhalve niet op het dagelijks menu ontbreken. Ook een weinig groenvoer zoals wortel, kool en halfrijpe kolfmaïs dient dagelijks verstrekt te worden. Als er jongen zijn het basisvoedsel aanvullen met eivoer, in melk geweekt oud brood en een weinig gekiemd zaad.

Om hun knaaglust te bevredigen, moeten we deze vogels regelmatig wilgentakken verstrekken. Ook takken van fruitbomen voldoen, maar vergewis u er dan van dat ze niet bespoten zijn.

Halsbandparkieten baden graag, zorg er dus voor dat ze dit ook kunnen. Tijdens vorstperioden geen badwater verstrekken, maar alleen drinkwater aanbieden in een klein bakje waarin de vogels niet kunnen baden.

Fok

Gewoonlijk worden de halsbandparkieten pas in het derde levensjaar broedrijp. De man is dan volledig op kleur. Broedrijpe vogels kan men herkennen aan de manier waarop zij in het bodemzand van de volière krabben. De man begint vroeg in het voorjaar, soms al in februari de pop het hof te maken. Eigenlijk is het dan, gezien de buitentemperatuur, nog te vroeg om met de kweek te beginnen en doet men er goed aan de ingang van het broedblok tot maart te barricaderen, zodat de broeddrift wat afgeremd wordt.

De balts van de halsbandparkiet is ingewikkeld. Tijdens de paringsdans spreidt de pop de vleugels een weinig uit, draait met de ogen en beweegt de kop in halve cirkels heen en weer en wrijft haar snavel tegen die van de man. De man stapt pronkerig op de pop af, voert haar en richt zich hoog op waarbij hij vaak een poot oplicht. De paardans kan een hele tijd duren en wordt als de pop voldoende broedrijp is, besloten met de paring.

Een legsel bestaat doorgaans uit drie tot vijf eieren, soms zes. Alleen de pop broedt. Ze gaat meestal zitten na het leggen van het voorlaatste ei. De broedduur is ca. 23 dagen. Als de jongen uitkomen zijn ze naakt en rozerood van kleur, met bleke snavels en gesloten ogen. Omstreeks de negende dag gaan de ogen open. Dit is ook de tijd om de vogels te ringen; ringmaat 7mm. De eerste stoppels breken na ruim twee weken door. Rond de dertigste dag na het uitkomen, zitten de jonge halsbanden al bijna geheel in de veren, alleen de anaal-streek is dan nog kaal. Tussen de zevende en achtste week vliegen ze uit. De jonge vogels worden nog geruime tijd door de ouders met de nodige zorg omringd. Jonge halsbanden lijken op de pop, maar hebben kortere verlengde staartveren.

Halsbanden brengen slechts één legsel groot. Soms volgt er een tweede leg als de jongen van het eerste legsel in een vroeg stadium gestorven zijn, of als de eieren niet zijn uitgekomen.

Mutaties

Van de halsbandparkiet zijn een groot aantal kleurmutaties bekend.

De lutino verschijningsvorm is de oudste mutatie bij de halsbandparkiet. Deze mutatie ontstond aan het eind van de vorige eeuw in de wildbaan. In de twintiger jaren kwamen enkele wildvang lutino's naar Engeland. Het heeft tot 1934 geduurd tot de eerste lutino in gevangenschap was geboren. Vijf jaar later waren het er twintig. De fortuinlijke fokker was Alfred Ezra. Men kan deze twintig beschouwen als de voorouders van alle lutino halsbanden in Europa.

Het lichaam is diep goudgeel, de snavel rood, de halsband van de man is roze en wit. De lutino halsband heeft rode ogen en vleeskleurige poten; nagels blank.

De lutino-mutatie vererft geslachtsgebonden.

Ook de blauwe halsband stamt uit de wildbaan. Een paartje blauwe halsbanden belandde in 1950 in de collectie van de hertog van Bedford (Engeland). In 1951 bracht dit koppel drie jongen groot, in 1952 vier en in 1953 ook vier. Alle blauwe halsbanden in Europa en de USA stammen vermoedelijk van deze vogels af.

Het gehele lichaam is blauw, het meest helder op kruin en voorhoofd. De halsband van de man is grijs afgezet met wit. De pop is geheel blauw. De snavel is rood.

De blauwe kleurmutatie is recessief t.o.v. de groene wildkleur.

De beste paring voor deze kleurslag is groen/blauw x blauw of omgekeerd.

De albino is geen mutatie, maar ontstaan door de ino-factor met de blauwe te kruisen. In de F2-generatie kan men dan, als alles meezit, een klein percentage witte poppen verwachten. De albino halsband is geheel wit, met rode ogen, vleeskleurige poten en blanke nagels. De halsband ontbreekt. Alleen de snavel is rood gebleven.

Ook de pallid stamt vermoedelijk uit de vrije natuur. Een exemplaar werd - zo wordt beweerd - in de zeventiger jaren in de natuur gevangen en naar Europa verzonden.

De algemene lichaamskleur van deze mutant is bleekgroen. Het zwart van de band is grijsachtig bruin. De man heeft een dubbele bruine en roze halsband. De pop is lichter en bruiner van tint dan de man. De oogkleur van de pallid is roodachtig. De snavel is rood.

De pallid vererft geslachtsgebonden. Bij deze mutatie handelt het zich om een recessief allel van het aan het X-chromosoom gekoppelde ino-locus.

De bleekkopfallow halsband heeft behalve een gele kop een sterk opgebleekte lichaamskleur, deze is min of meer pastelachtig groen. De kleurscheiding van de kop wordt gevormd door de halsband van de man. De pop heeft slechts een geelachtige kop. De oogkleur van de bleekkopfallow is roder dan van de pallid en lijkt doorzichtig. De snavel is rood.

De bleekkopfallow-mutatie vererft autosomaal recessief.

De zogeheten bronze fallow is een donkere fallow-vorm met een veel minder opgebleekte lichaamskleur dan de bleekkopfallow en heeft een duidelijk zichtbare oogiris. De bronze fallow vererft autosomaal recessief. De mutatie wordt mogelijk veroorzaakt door een allel van de autosomaal recessieve ino-factor

De cinnamon is meer groenachtig geel; de kopkleur is geel. De halsband van de man is bruin. Bij deze mutatie heeft ook de pop een gele kop, de lichaamskleur is echter lichter dan van de man, maar bruiner getint.

De cinnamon mutatie vererft geslachtsgebonden recessief.

De overgoten halsband heeft een gele lichaamskleur met een groene waas in de groenserie en een blauw waas in de blauwserie. Deze kleurslag werd in het verleden veelal aangeduid als gele en witte zwartoog.

De overgoten factor vererft autosomaal recessief

De grijze halsband heeft een grijze lichaamskleur. De man heeft een zwarte band, afgezet met wit in de nek. Bij de pop ontbreekt de halsband. De snavel blijft ook bij deze mutatievorm rood.

De grijs-factor heeft een onvolledig dominante (co-dominante) kenmerkontwikkeling.

De grijsgroene halsband is een kruisingsproduct van groen en grijs. Wanneer men een homozygote grijze aan een dito groene paart zijn alle jongen grijsgroen. De grijsgroene halsbandparkiet wordt wel eens uitgemaakt voor olijfgroen. Dit is echter niet juist. De olijfgroene is een groene met twee donkerfactoren.

De turquoise halsbandparkiet is geen kruisingsproduct, maar een op zichzelf staande kleurmutatie. De algemene lichaamskleur is blauw met een groene schijn. De mutatie vererft autosomaal recessief.

De creme-ino halsband is een kruisingsproduct van de ino-mutatie en de turquoise. In F2 kunnen uit deze combinatie creme-ino poppen ontstaan. De creme-ino ziet er uit als een sterk opgebleekte lutino.

De dominant gezoomde is een mutatie met een pigmentreducerende werking met name op de vleugels een gezoomd effect veroorzaakt. Zoals de benaming aangeeft vererft deze mutatie autosomaal dominant (co-dominant).

Ook de donkerfactor bij de halsband is inmiddels een feit. Deze mutatie is in Europa ontstaan. Door deze factor is het mogelijk donkergroenen, olijfgroenen, kobaltblauwen en mauvekleurige halsbanden te fokken. De donkerfactor vererft autosomaal en is onvolledig dominant (co-dominant).

De violetfactor is in Amerika ontstaan. Hier zijn de eerste dubbelfactorige violetten met één donkerfactor inmiddels gefokt. Naar verluid, schitterende vogels. De violetfactor vererft autosomaal en is onvolledig dominant (co-dominant).Tenslotte recessief bont, een autosomaal verervende bontmutatie met recessieve kenmerkvorming.

Hoewel er nog wel enkele meer zijn, wil ik het bij deze opsomming laten. De meest bekende heb ik nu ook wel genoemd. Het is duidelijk dat, gezien het aantal mutaties, veel combinaties mogelijk zijn. In principe zijn alle kleurslagen met elkaar te kruisen. Of het ook altijd succesvolle tt-vogels op zullen leveren, zal de toekomst uitwijzen. Vast staat wel dat de kleurfok bij de halsbandparkieten het hoogtepunt nog lang niet bereikt heeft.